Stamgroepen
Scholen met jaarklassen hanteren de geboortedatum als belangrijkste criterium voor het indelen van kinderen in (jaar)klassen. Het patroon kennen we nog van vroeger. Alle kinderen die voor een bepaalde datum een zekere leeftijd hebben bereikt komen bij elkaar in de klas. Zo komen bijvoorbeeld alle vierjarigen bij elkaar in de eerste groep. Wat onderwijskundig gezien heel belangrijk is, is dat de leerkracht van zo’n klas zijn groep leerlingen ziet als “gelijk”, ongeacht de altijd aanwezige verschillen tussen de kinderen. Soms probeer de leerkracht er wel rekening mee te houden door met verschillende niveaus te werken. Echter, te grote verschillen tussen de kinderen worden in de leerstof jaarklas bestreden door zittenblijven, bijwerken, extra werk, klas overslaan of verwijzing naar het speciaal onderwijs. Vanuit het standpunt van de leerstofjaarklassensysteem bezien is het daadwerkelijk toepassen van het zitten blijven een noodzakelijk kwaad. De verschillen gaan anders te ver uiteen lopen en dat komt het groepsproces en met name de klassikale instructie niet ten goede.
Jenaplan
Anders wordt het als je, zoals op de Klimboom, juist met de verschillen die nu eenmaal tussen mensen bestaan - en dus ook tussen kinderen van het De Klimboom -, wilt gaan werken. Verschillen in leeftijd, begaafdheid, ervaring, talent en prestatie spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van kinderen en worden gebruikt ten dienste van de gehele groep. Verschillen tussen kinderen verrijken de groep en daarmee ook het individuele kind. Een en ander zal moeten plaats vinden in een groep en in een sfeer waarin een gemeenschappelijke van-en-met-elkaar-leren natuurlijk en vanzelfsprekend is. Verschillen tussen kinderen roepen een zekere spanning op. De verschillen in leeftijd en ontwikkeling mogen echter niet ‘spanningsloos’ zijn. Dit laatste kan op een klassikale school gemakkelijk ontstaan. De leeftijdsspanning van twee jaar, zoals wij die op de Klimboom kennen, geeft een spanning die door de minst rijpe kinderen kan worden ‘verwerkt’, terwijl zij voor de rijpsten nog een vruchtbare prikkel voor de ontwikkeling vormt.
Leefwerkgemeenschap
De totale schoolbevolking is de basisgroeperingsvorm binnen het Jenaplanconcept. Zij laat zich typeren als een leef- en werkgemeenschap. In eerste instantie is de school er om te leren leven en om daardoor en van daaruit te leren.
De stamgroep is als groeperingsvorm fundamenteel anders dan de zogenaamde
combinatieklas. Bij deze laatste groeperingswijze blijft de jaarklas als werkeenheid gehandhaafd. De verschillen tussen kinderen werken hier beperkend en niet stimulerend.
De stamgroep moet zich, ondanks alle verschillen tussen kinderen, wel als leefwerk-gemeenschap manifesteren. Een echte stamgroep is groep die probeert om met elkaar samen te leven en samen te werken binnen een ordelijke, harmonieuze en fijne sfeer. Dat zowel de kinderen als de leerkracht hier een bijdrage aan moet leveren spreekt voor zich. De sfeer binnen een groep blijft vrij constant. Aan het eind van het school-
jaar vertrekt immers maar een deel van de kinderen naar een volgende groep, terwijl een nieuwe lichting zorgt voor verfrissing van de ideeën.
Uitgaande van de gedachte dat het zinvol is de verschillen tussen kinderen als vertrekpunt te nemen voor de groeperingswijze in de school, ontstaan een aantal extra mogelijkheden voor een wijze van groeperen van kinderen. Op het De Klimboom spreken we dan van de voordelen van de heterogene stamgroep.
Een voorbeeld ter illustratie:
Het hulpverlenen van kinderen aan elkaar is in een stamgroep heel wezenlijk. Doorde altijd aanwezig leeftijdsverschillen in de stamgroep is dit - binnen de gegeven regels - ook heel goed mogelijk. In een jaarklas wordt het hulpverlenen en het samenwerken vaak gezien als voorzeggen of afkijken. Het is maar hoe je het bekijkt! Kortom, de stamgroep kan duidelijk een meerwaarde voor kinderen hebben, maar je moet het wel willen zien.
De stamgroep als ideaal.
Graag willen we dit artikel besluiten met het noemen van een aantal voordelen van de stamgroep in vergelijking met de jaarklas.Kinderen zijn achtereenvolgens jongste,soms middelste en oudste in de groep. De kinderen leren hulp te bieden en hulp te vragen. Kinderen blijven langer deel uitmaken van een groep, waardoor een hopelijke goede pedagogische sfeer vastgehouden kan worden.Kinderen leren zelfstandig(er) te werken.Kinderen worden minder afhankelijk van de onderwijsgevende.Leerkrachten van dezelfde bouw hebben “gelijke” problemen en kunnen dit samen bespreken.De groepssfeer kan constant blijven omdat slechts een deel van de kinderen naar een volgende groep gaat.Terugval in ontwikkeling wordt door niveau werk gemakkelijk opgevangen.Het vergelijken van leervorderingen door kinderen heeft minder effect en gebeurt dus ook minder.Regels worden gemakkelijker en natuurlijker doorgegeven.De groepsleider/ster wordt gedwongen om naar de ontwikkeling van individuele kinderen te kijken. Kinderen van elke leeftijd kunnen op hun tijd hun volle potentieel ontwikkelen.Begaafde kinderen kunnen minder gemakkelijk door hun wisselende positie in de groep (oudste, jongste) arrogant of verwaand worden.Kinderen die bepaalde vaardigheden bezitten, kunnen stimulerend werken ten aanzien van de kinderen die die vaardigheid nog niet bezitten. (Veters strikken in de onderbouw).
Bewerking van het artikel “groeperingsvormen” in het blad
“Mensen-kinderen” door Henk van der Weijden.. jan. ’96.